Assertiviteit, grenzen stellen en feedback

Mensen hebben verschillende belangen en wensen. Er zijn vier manieren om hiermee om te gaan.

1. Assertief
Je bent in staat gevoelens, meningen en gedachten duidelijk te verwoorden. Je hebt een evenwicht gevonden tussen je eigen belang en dat van een ander.

2. Sub-assertief
Je bent bang om te kwetsen of om gekwetst te worden. Je houdt meer rekening met de belangen van de ander dan met die van jezelf.

3. Manipulatief
Ook wel indirect agressief genoemd. Je houdt zowel met de ander als met jezelf geen rekening: je wil alleen maar je zin krijgen en zet daarbij alle middelen in die hiervoor nodig zijn.

4. Agressief
Je wil absoluut voorkomen dat anderen over je heen lopen. Je stelt je eigen belang voorop en houdt geen rekening met dat van de ander.

Grenzen stellen

Als iemand over je grens heen gaat roept dat onwillekeurig emoties op. Er zijn drie soorten primaire reacties:

  • Vechten: basisemotie is woede
  • Vluchten: angst
  • Bevriezen: machteloosheid.

Grenzen stellen begint met het controleren van je primaire reactie.

1. Zelfcontrole
Adem rustig in en uit en ga rechtop staan of zitten en denk positief (“ik kan deze situatie aan”).

2. Hou de ander een spiegel voor
Benoem het concrete gedrag van de ander zoals ‘je scheldt me uit’, geef aan dat de grens is bereikt en spreek vol overtuiging (“je scheldt me uit en dat accepteer ik niet”).

3. Stel de ander voor een keuze
Geef hierbij aan wat je wel of niet wil, ga hierbij niet in discussie en herhaal die keuze hoogstens één keer (“of je blijft tegen me schelden en ik beëindig dit gesprek of je praat respectvol tegen me”).

4. Voeg de daad bij het woord
Je staat op en loopt weg of je zegt “fijn dat je respectvol met me praat en zo ga ik graag verder”.

Feedback

Als je een ander feedback geeft vertel je hem hoe zijn gedrag op je overkomt en wat het met je doet. Feedback geef je door ik-boodschappen te geven. Daarmee verklein je de kans dat de ander zich aangevallen voelt.

Hanteer de 5 G’s:
1. Gedrag
Benoem het gedrag van de ander. “Je kijkt me niet aan als ik tegen je praat”.

2. Gedachte
Beschrijf wat je denkt over het gedrag van de ander. “Ik heb de indruk dat het je niet interesseert”.

3. Gevoel
Beschrijf het gevoel dat je erbij krijgt. “Daar word ik onrustig van”.

4. Gevolg
De neiging die je krijgt. “Daardoor ga ik harder praten en mezelf herhalen”.

5. Gewenst
Geef aan wat je van de ander zou willen. “Zou je me willen aankijken?”

Feedback ontvangen

Laat de ander uitpraten en zeg niet: “ja maar…” Vat samen wat je gehoord hebt, leg uit hoe jij hierin staat en maak een afspraak over hoe jullie hiermee om kunnen gaan.

Complimenten geven

Pas de 5 G’s ook toe bij het geven van complimenten.

 

Download hier de informatiefolder in PDF formaat